Geschiedenis
Onze school is genoemd naar Johan Hendrik Van Dale (15 februari 1828 - 19 mei 1872).
Dat weten veel mensen, maar daar houdt het dan ook mee op. Om u wat informatie te geven over de man waaraan onze school zijn naam te danken heeft, volgt hier een kort portret van deze workaholic.
"Als Van Dale niet aan de pokken was gestorven, dan had hij zich zonder twijfel doodgewerkt."
Dit schreef zijn leerling J. Manhave. Van Dale zelf schreef zijn werklust toe aan het feit dat hij als kind vaak weken ziek was geweest. Studeren vrolijkte hem juist op. Terecht kunnen we zeggen dat Johan Hendrik van Dale een aan werken verslaafd persoon was: in zijn korte leven publiceerde hij diverse boeken en honderden artikelen en werd hij vooral beroemd als schrijver van het bekende woordenboek. Maar dat woordenboek heeft hij zelf echter maar half voltooid en de roem heeft Van Dale in de eerste plaats toch te danken aan zijn leerling Jan Manhave (1850-1927).
Johan Hendrik van Dale werd op 15 februari 1828 geboren te Sluis in Zeeuws-Vlaanderen. Hij was een zoon van Abraham van Dale (1799-1837) en Pieternella Johanna du Bois (1802-1865). Zijn moeder was winkelierster, zijn vader eerst peperkoekenbakker, daarna landmeter, vervolgens hulponderwijzer en tenslotte militair. Johan Hendrik was elf jaar toen zijn vader stierf.
Voor zijn tijd was Johan Hendrik een vrij lange man. Hij was 1,72 meter en
had een lang aangezicht, een hoog voorhoofd, blauwe ogen, een grote
neus, een forse mond, een ronde kin, blonde wenkbrauwen en blond golvend haar.
Deze beschrijving van Van Dale vinden we terug in een een certificaat van de Nationale Militie van de Provincie Zeeland, d.d. 17 oktober 1850.
Van Dale kreeg toen overigens vrijstelling voor dienst bij de Nationale
Militie vanwege "broederdienst".

Hij was net zestien toen hij zijn eerste onderwijsbevoegdheid haalde en meteen daarop werd hij aangesteld als ondermeester in Sluis. In de jaren daarna behaalde hij allerlei aktes: Frans, wiskunde, Engels, Duits, natuurkunde en landbouwkunde. Op eigen houtje leerde hij Latijn en Gotisch, terwijl hij zeer geinteresseerd was in het Middelnederlands.

In 1850 trouwde hij Jacoba Moens (1829-1891). Van Dale kreeg vier keer een zoon, die hij telkens Johan Hendrik noemde. Drie stierven voor ze vier waren, maar vanaf 1863 telde de wereld een tijdlang twee Johan Hendrik van Dale's.
In 1852 verscheen zijn eerste boek voor de hoogste klas van de volksschool. Daarna publiceerde hij ruim twintig andere boeken: meestal over de geschiedenis van Sluis of Zeeuws-Vlaanderen, en schoolboeken over zuiver schrijven, spraakkunst en zinsontleding. Deze schoolboeken waren weinig vernieuwend, maar werden toch door het hele land gebruikt, sommige zelfs tot in het eerste kwart van deze eeuw.
Vanaf mei 1854 was Van Dale hoofdonderwijzer aan de openbare school in Sluis. Vanaf oktober 1855 was hij stadsarchivaris van Sluis. Van Dale publiceerde ook honderden artikelen over historische en oudheidkundige onderwerpen, vanaf 1861 steeds meer over taalkunde.
In 1867 verscheen zijn eerste lexicografische werk: een bewerking van het Taalkundig handboekje (alfabetische lijst van alle Nederlandse woorden).
Eind 1867 werd Van Dale door uitgever Thieme gevraagd om het Nieuw Woordenboek te bewerken. Toen hij na anderhalf jaar besefte dat hij het woordenboek alleen nooit af zou krijgen, riep hij de hulp in van zijn leerling Jan Manhave. Drie jaar lang werkten ze samen. In februari 1872 verscheen de eerste aflevering van het Nieuw Woordenboek, vrijwel onmiddellijk gevolgd door de volgende vier - tot halverwege het trefwoord nonnenaap.
In de eerste week van mei 1872 kreeg Van Dale de pokken. Waarom Van Dale de pokken kreeg blijft overigens een raadsel, omdat de koepokinenting in zijn tijd verplicht was voor onderwijzers.
Op zijn sterfbed zei hij zijn vrouw dat hij wenste dat zijn leerling Jan Manhave het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal (op dat moment in handschrift tot en met de y gereed) zou voltooien. Van Dale stierf op Pinksterzondag 19 mei 1872. Manhave werkte nog anderhalf jaar voort tot in maart 1874. Het woordenboek was toen klaar, een jaar later dan gepland.
Meteen na de onthulling kwam er een discussie op gang over de vraag of het borstbeeld zijn voorkomen wel goed weergaf. De Ter Neuzensche Courant van 3 en 5 sept. 1924 meldt: "Zij, die Van Dale gekend hadden, zeiden dat hij met te dikke wangen was weergegeven, maar prezen de gelijkenis."
Bij de onthulling van het standbeeld bestreed H. M. Kerpenstein, toen hoofd van de openbare school, de geruchten dat Van Dale tijdens het werk aan het woordenboek zijn school zou hebben verwaarloosd. Ook dominee Janssen, Van Dale's beste vriend, schreef destijds dat "Van Dale de belangen zijner school niet verwaarloosde of zijne ziel aftrok van het onderwijs". De geruchten werden in 1983 nieuw leven ingeblazen door G. J. van Oorschot, oud hoofd van de J. H. van Daleschool in Sluis. Dergelijke geruchten zijn waarschijnlijk op de wereld gekomen door de onvoorstelbare hoeveelheid werk die Van Dale heeft verzet.
Van Dale zou zonder Manhave niet veel meer zijn geweest dan iemand die een half woordenboek samenstelde en zonder Manhave's inzet zou Sluis nu hoogstwaarschijnlijk geen Van Dalestraat, borstbeeld van Van Dale of Van Daleschool hebben gehad.
Veel mensen denken dat Van Dale in dit gebouw (nu gemeenschapscentrum) les heeft gegeven. Dit schoolgebouw dateert echter van 1883 en staat bijna op de plaats waar het gebouw heeft gestaan waar Van Dale onderwijzer is geweest.